07/11/2019

(Stedenbouwkundige) Herstelvordering door het Openbaar Ministerie

Sinds 1 maart 2018 heeft het openbaar ministerie als bevoegde overheid de mogelijkheid om een stedenbouwkundige herstelvordering in te stellen, ook als hersteleisende overheden als de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur, de gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur of de burgemeester in naam van de gemeente zelf geen herstelvordering hebben ingesteld.

In een zaak onderworpen aan het hof van beroep te Gent kwam de decreetswijziging tot stand lopende de beroepsprocedure.

Het hof van beroep is in een arrest van 25 januari 2019 soepel voor wat betreft de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie in zijn vervolgberoep geen specifieke beroepsgrief heeft geformuleerd:

‘De herstelvordering die wordt ingesteld door een bevoegde overheid, in casu het Openbaar Ministerie, behoort tot de strafvordering in de ruime zin, maar is niettemin als een bijzondere vorm van teruggave een maatregel van burgerlijke aard. Aldus was de herstelvordering begrepen in de grief ‘vervolgberoep’ en behoort de herstelvordering die het Openbaar Ministerie voor het hof instelde tot de Saisine van het hof’.

Opmerkelijk is dit initiatief van het hof van beroep:

‘Het Openbaar Ministerie heeft geen vordering tot verbeuring van een dwangsom ingesteld, voor het geval de herstelmaatregel niet vrijwillig zou worden uitgevoerd. Het hof kan dit niet ambtshalve voorzien, doch slechts op vordering van c.q. het Openbaar Ministerie.

Overeenkomstig artikel 6.3.4. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt het hof dat als de bevolen bouw- of aanpassingswerken niet binnen de hierna gestelde termijn worden uitgevoerd, de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien in de plaats en op kosten van de veroordeelde beklaagden’.

Referentie: Gent (10e kamer), 25 januari 2019, nr. C/111/2019 (PUB508251).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Dwangsom, Handhaving stedenbouw, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/11/2019

Over het overgangsregime van artikel 4.4.9/1 VCRO (abstractie van oude BPA's in vergunningsbeleid)

Niet voor de eerste keer heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich moeten uitspreken over de vraag of artikel 4.4.9/1 VCRO (waardoor het vergunningverlenende bestuursorgaan bij het verlenen van een omgevingsvergunning mag afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg, voor zover dit plan ouder is dan 15 jaar op het ogenblik van de inleiding van de aanvraag), zoals destijds ingevoerd door de Codextrein, door de vergunningverlenende overheid met ingang van 30 december 2017 enkel kan toegepast worden op nieuwe omgevingsvergunningsaanvragen, dan wel of de daarin vervatte afwijkingsmogelijkheid ook kan gelden voor de oude stedenbouwkundige vergunningsaanvragen die op 30 december 2017 nog lopende zijn.

De RvVb concludeert in het arrest nr. A-1920-0091 van 24 september 2019 dat de afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.9/1 VCRO ook geldt voor ‘op 30 december 2017’ nog lopende vergunningsaanvragen.

Decisief voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen is de vaststelling dat de Codextrein artikel 4.3.1, §1, c) VCRO op zodanige wijze heeft aangepast, dat de weigeringsgrond inzake verkavelingsvergunning uit verkavelingen, ouder dan 15 jaar, grotendeels is weggevallen. De motieven die hieraan ten grondslag liggen zijn dezelfde als voor BPA’s ouder dan 15 jaar. Artikel 4.3.1, §1, c) VCRO spreekt evenwel niet over een ‘omgevingsvergunning’ maar over een ‘vergunning’. Er een andere interpretatie aan kleven zou tot de onlogische situatie leiden dat bij de behandeling van een lopende stedenbouwkundige vergunning met ingang van 30 december 2017 wel zou kunnen leiden tot het grotendeels wegvallen van voormelde weigeringsgrond inzake verkavelingsvergunningen, maar niet van BPA’s ouder dan 15 jaar. Beide wijzigingen van de VCRO werden ingevoerd door dezelfde Codextrein, en zijn gestoeld op gelijkaardige motieven. De RvVb leidt hieruit af dat het niet de bedoeling kan geweest zijn van de decreetgever om beide afwijkingsmogelijkheden, die temporeel gelden met ingang van 30 december 2017, anders toe te passen, minstens vindt de Raad voor dergelijke stelling geen logische grond in de parlementaire voorbereiding.

In het arrest nr. S-1819-0543 had de Raad voor Vergunningsbetwistingen nog anders geoordeeld.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, VCRO, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/10/2019

Publius zoekt versterking!

Op dinsdag 12 november 2019 zal Publius aanwezig zijn op de jobbeurs van het VRG Gent en de Faculteit Rechtsgeleerdheid. Publius gaat ook dit jaar op zoek naar rechtenstudenten met een uitgesproken interesse voor het publiek en administratief recht.

Op zoek naar een zomerstage of een baliestage? Kom dan zeker bij ons langs!

Blog Publius Nieuws
Tags Jobs
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/10/2019

Verbod om met “geblokstaarte” dieren deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden niet ongrondwettig bevonden

Het Grondwettelijk Hof heeft in een arrest van 24 oktober 2019 uitspraak gedaan over het verbod om met zogenaamde “gecoupeerde” dieren deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden. “Couperen” of “blokstaarten” is een techniek waarbij de staart van een dier operatief wordt verwijderd, zoals bijvoorbeeld vaak wordt toegepast bij het Belgisch Trekpaard.

Er geldt al lang een verbod om één of meer gevoelige delen van het lichaam van een gewerveld dier te verwijderen of te beschadigen, uitgezonderd ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat of ingrepen met het oog op het nutsgebruik van het dier of de beperking van de voortplanting van de diersoort (artikel 17bis Dierenwelzijnswet). Voor deze laatste categorie werden bij KB bepaalde toegelaten ingrepen nader gespecifieerd per diersoort. Het “blokstaarten” van bijvoorbeeld paarden werd daarin niet vermeld. Dit vormt dus een verboden ingreep, tenzij er een diergeneeskundige noodzaak kan worden aangetoond.

Artikel 19 van de Dierenwelzijnswet verbiedt bovendien om met dieren waarop een verboden ingreep werd uitgevoerd, deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden of ze aldaar toe te laten. Het is tevens verboden om deze dieren te verhandelen.

Recent werd de regelgeving nog verstrengd door de verbodsbepalingen uit artikel 19 van toepassing te verklaren op dieren die een ingreep hebben ondergaan omwille van een diergeneeskundige noodzaak. Blijkens de parlementaire voorbereiding zou de uitzondering van de diergeneeskundige noodzaak misbruikt worden in de praktijk. Concreet heeft het verbod tot gevolg dat niet meer met dieren waarvan één of meerdere gevoelige delen van het lichaam werden verwijderd, kan worden deelgenomen aan een tentoonstelling, keuring of wedstrijd, zelfs wanneer de ingreep gebeurde omwille van een diergeneeskundige noodzaak.

Er werd voor het Grondwettelijk Hof een schending aangevoerd van het gelijkheidsbeginsel in samenhang met de vrijheid van vereniging en het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. Concreet zouden houders van dieren die op een wettige wijze een ingreep ondergingen op dezelfde manier behandeld worden als houders van dieren die op onwettige wijze een ingreep ondergingen, zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording voorligt.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde echter dat beide gevallen gelijk behandeld worden, net omdat zij in de praktijk niet op duidelijke wijze van elkaar kunnen onderscheiden worden. Het principiële verbod om met dieren waarvan één of meerdere gevoelige delen van het lichaam werden verwijderd, deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden, kan als noodzakelijk worden beschouwd om een doeltreffende bescherming van het welzijn van die dieren te verzekeren en om elk risico op fysieke of psychische mishandeling uit te sluiten.

De decreetgever heeft in alle redelijkheid kunnen vaststellen dat het opleggen van minder verregaande maatregelen, zoals een doorgedreven controle van de diergeneeskundige attesten, niet toelaat het door hem beoogde minimumwelzijnsniveau te waarborgen. Daarnaast oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het decretale verbod evenmin de vrijheid van vereniging of het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel schendt.

Het volledige arrest kan u hier lezen.

Gepost door Celine Van De Velde

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dierenwelzijn, Grondwettelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags