29/06/2014

Handelsvestigingenwet vanaf 1 juli 2014 geregionaliseerd! Nieuw NSECD. Nieuw ICD

In het akkoord voor de zesde staatshervorming (”Een efficiëntere federale Staat en een grotere autonomie voor de deelstaten”) is voorzien dat het vergunningsbeleid inzake handelsvestigingen en het Nationaal Sociaal Economisch Comité voor de Distributie wordt overgedragen aan de gewesten.

De overdracht van deze  bevoegdheid gebeurt op 1 juli 2014.

De Vlaamse regering keurde het voorontwerp van decreet m.b.t. het 'integraal handelsvestigingsbeleid' goed. Het is de bedoeling om de nieuwe Vlaamse regeling in werking te doen treden vanaf 1 januari 2015.

Aldus is er een transitieperiode vanaf 1 juli 2014 tot (tenminste) 1 januari 2015. Tijdens deze transitieperiode worden de huidige procedures en werkzaamheden nog verdergezet, met dien verstande dat de samenstelling van het NSECD en het ICD verandert.

Heel concreet betekent dit dat de wet betreffende de vergunning van handelsvestigingen thans een Vlaams bevoegdheid is maar dat het Nationaal Sociaal-Economisch Comité en het Interministerieel Comité voor de Distributie in hun huidige samenstelling hebben opgehouden te bestaan en tijdens de overgangsperiode een zuiver Vlaamse (Brusselse/Waalse) samenstelling zullen hebben.

In het Belgisch staatsblad van 27 juli 2014 verscheen wat Vlaanderen betreft volgend besluit:

'25 APRIL 2014. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de samenstelling en de werking van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie en van het Interministerieel Comité voor de Distributie

DE VLAAMSE REGERING,
Gelet op de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, artikel 4 en 11, gewijzigd bij de wet van 27 december 2005;
Gelet op het koninklijk besluit van 22 februari 2005 betreffende de wijze van voordracht en aanstelling van de leden van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie;
Gelet op het koninklijk besluit van 23 februari 2005 betreffende de organisatie en werking van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie;
Gelet op het koninklijk besluit van 12 april 2005 tot vaststelling van de organisatie, werking, vergoeding en incompatibiliteitsregels van het Interministerieel Comité voor de Distributie bedoeld bij artikel 11, § 1, van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen;
Gelet op het koninklijk besluit van 17 maart 2013 tot aanduiding van de leden van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie;
Op voorstel van de Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid;
Na beraadslaging,
Besluit :

Artikel 1. Dit besluit is alleen van toepassing op de vergunningsaanvragen en beroepen die na 1 juli 2014 ingediend worden op grond van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, en die betrekking hebben op handelsvestigingen in het Vlaamse Gewest.

Art. 2. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, zal het Interministerieel Comité voor de Distributie bestaan uit de volgende afgevaardigden van de Vlaamse Regering:
1° Steven Van Muylder of zijn plaatsvervanger Tom De Saegher
2° Roel Bruyninckx of zijn plaatsvervanger Michiel Boodts
3° Gaëtane Maes of haar plaatsvervanger Helena Muyldermans
4° Mehdi Koocheki of zijn plaatsvervanger Greg Verhoeven

Art. 3. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 april 2005 tot vaststelling van de organisatie, werking, vergoeding en incompatibiliteitsregels van het Interministerieel Comité voor de Distributie bedoeld bij artikel 11, § 1, van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Het voorzitterschap wordt waargenomen door Steven Van Muylder of zijn plaatsvervanger Tom De Saegher."

Art. 4. In artikel 17, eerste lid, van het koninklijk besluit van 23 februari 2005 betreffende de organisatie en werking van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "de federale overheidsdiensten of het koninklijk besluit" worden vervangen door de zinsnede "de federale overheidsdiensten, het koninklijk besluit";
2° tussen de woorden "in de federale overheidsdiensten" en de woorden "niet van toepassing" wordt de zinsnede "of het Vlaams Personeelsstatuut van 13 januari 2006" ingevoegd.

Art. 5. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 april 2005 tot vaststelling van de organisatie, werking, vergoeding en incompatibiliteitsregels van het Interministerieel Comité voor de Distributie bedoeld bij artikel 11, § 1, van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
"Het voorzitterschap wordt waargenomen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, of zijn afgevaardigde.".

Art. 6. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 17 maart 2013 tot aanduiding van de leden van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie worden punt 1° tot en met 4° vervangen door wat volgt:
"1° de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie: Stefaan Piens
2° de Vlaams minister bevoegd voor de economie: Tom Tournicourt;
3° de Vlaamse minister, bevoegd voor werk: Ann Van den Cruyce;
4° de Vlaamse minister, bevoegd voor mobiliteit: Luc De Ryck"

Art. 7. In artikel 2 van hetzelfde besluit worden punt 1° tot en met 4° vervangen door wat volgt:
"1° de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie: Ludo Verheyden
2° de Vlaams minister bevoegd voor de economie: Liesbet Schruers;
3° de Vlaamse minister, bevoegd voor werk: Vincent Vandenameele;
4° de Vlaamse minister, bevoegd voor mobiliteit: Gijs Moors"

Art. 8. In artikel 17 van het koninklijk besluit van 23 februari 2005 betreffende de organisatie en werking van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie, worden tussen de woorden "in de federale overheidsdiensten" en de woorden "niet van toepassing" de woorden "of het Vlaams Personeelsstatuut van 13 januari 2006" ingevoegd.

Art. 9. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2014.

Art. 10. De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 25 april 2014
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie,
Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid
K. PEETERS'Lees hier het bericht op onze blog Handelsvestigingen.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, ICD, Integraal handelsvestigingenbeleid, Lokale besturen, NSECD
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/05/2019

Kansspelcommissie - Raamovereenkomst juridische adviesverlening en bijstand binnen en buiten het kader van de vertegenwoordiging in rechte (2019).

Publius staat de Kansspelcommissie al geruime tijd bij. Recent werd Publius opnieuw aangesteld door de Kansspelcommissie om haar bij te staan en haar belangen te behartigen. Publius kreeg in het kader van een overheidsopdrachtenprocedure zowel het perceel 3 (burgerlijk recht) als het perceel 4 (publiek recht) toegewezen en dit voor een periode van 4 jaar.

Blog Publius Nieuws
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/05/2019

Decreet houdende de gemeentewegen in aantocht

Op 24 april 2019 werd het Decreet houdende de gemeentewegen aangenomen door het Vlaams Parlement. Inmiddels werd dit decreet ook bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse Regering.

Het decreet voert een uniform statuut in voor alle gemeentewegen. Het onderscheid tussen gewone gemeentewegen en buurtwegen komt zo te vervallen. Zodoende worden de Buurtwegenwet en de bepalingen in verband met gemeentewegen uit het Rooilijnendecreet opgeheven.

Vooreerst worden verschillende doelstellingen en principes ingeschreven waarmee rekening moet worden gehouden bij de beslissing over een gemeenteweg. De gemeente kan die decretale doelstellingen en principes verder verfijnen en concretiseren in een gemeentelijk beleidskader.

Verder voert het decreet een uniforme procedure in voor de aanleg, de wijziging, de verplaatsing of de opheffing van een gemeenteweg. De beslissingsbevoegdheid wordt volledig in handen van de gemeenteraad gelegd.

Er is tevens in een geïntegreerde procedure voorzien om de wijziging van een gemeenteweg samen te behandelen met de opmaak van een RUP of met een omgevingsvergunningsaanvraag.

Daarnaast wordt een georganiseerd administratief beroep ingevoerd bij de Vlaamse Regering tegen de definitieve vaststelling van een gemeentelijk rooilijnplan en tegen de beslissing tot opheffing van een gemeenteweg.

Het decreet voert ook enkele wijzigingen door aan het Omgevingsvergunningsdecreet. Zo wordt bepaald dat wanneer de omgevingsvergunningsaanvraag de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg omvat, het college van burgemeester en schepenen - in voorkomend geval op verzoek van de bevoegde overheid - de gemeenteraad samenroept om te beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg. Het gaat dus niet alleen over de aanleg van nieuwe wegen in een verkavelingsproject, maar ook over projecten waarbij de wijziging van een gemeenteweg wordt voorzien. Tegen deze beslissing voorziet het decreet eveneens een georganiseerd administratief beroep bij de Vlaamse Regering. Dit beroep kan slechts ingesteld worden wanneer ook administratief beroep wordt aangetekend tegen de omgevingsvergunningsbeslissing zelf.

Het decreet verduidelijkt nu dat gemeentewegen niet kunnen teniet gaan door verjaring. Alleen een uitdrukkelijke opheffingsbeslissing kan de gemeenteweg doen verdwijnen.

Tot slot bevat het decreet onder meer een handhavingsluik en enkele bepalingen inzake het beheer van gemeentewegen.

Normaliter treedt het decreet in werking op 1 september 2019.

De tekst zoals aangenomen door het Vlaams Parlement kan u hier terugvinden.

Gepost door Celine Van De Velde

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht, Wegen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/05/2019

Geen rechtsplegingsvergoeding voor of tegen tussenkomende partij voor Raad van State. En dat is OK volgens het Grondwettelijk Hof

'In het arrest nr. 58/2019 van 8 mei 2019 werd het Grondwettelijk Hof geconfronteerd met volgende prejudiciële vraag:

'Is artikel 30 [lees : 30/1], § 2, vierde lid, in fine, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat stelt dat de tussenkomende partij voor dat rechtscollege niet kan worden gehouden tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding, in overeenstemming met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met artikel 9, lid 4, van het Verdrag van Aarhus, wanneer de genoemde (tussenkomende) partij in de loop van de vernietigingsprocedure afstand doet van haar vergunning, nadat die door de Raad van State werd geschorst?'

Na het schorsingsarrest had tussenkomende partij, titularis van de geschorste stedenbouwkundige vergunning (het betrof een Waalse zaak, dus de Raad van State is bevoegd), de aanvraag ingetrokken waardoor de vernietigingsprocedure zonder voorwerp werd. De Raad van State veroordeelde noch verzoekende, noch verwerende partij tot de rechtsplegingsvergoeding omdat geen enkele partij in het gelijk was gesteld. Ook de tussenkomende partij ging 'vrijuit'.  

Het Grondwettelijk Hof ziet geen probleem:

'Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 96/2012 van 19 juli 2012 staat het aan de wetgever te beoordelen of het opportuun is een regeling voor de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van de advocaat in te voeren die van toepassing is op de rechtsplegingen voor de Raad van State.

Bij zijn arrest nr. 48/2015 van 30 april 2015 heeft het Hof geoordeeld dat, indien de wetgever ervoor opteert een systeem van rechtsplegingvergoeding in te voeren voor de rechtsplegingen voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het hem toekomt bij de uitwerking van een dergelijk systeem niet alleen rekening te houden met de verschillen tussen de rechtsplegingen voor de Raad van State en de rechtsplegingen voor de burgerlijke rechter, maar ook met de vele andere aanwezige en soms tegenstrijdige belangen en beginselen.

Het feit dat de tussenkomende partijen zijn uitgesloten van de rechtsplegingsvergoeding voor de Raad van State kan weliswaar in uitzonderlijke gevallen ertoe leiden dat een verzoekende partij geen rechtsplegingsvergoeding kan verkrijgen ten laste van een tussenkomende partij, noch ten laste van een tegenpartij. Dat gevolg wordt echter gecompenseerd door de waarborg waarover de verzoekende partij beschikt dat zij nooit een rechtsplegingsvergoeding zal moeten betalen ten gunste van een tussenkomende partij. Immers, zoals voortvloeit uit paragraaf 1 van de in het geding zijnde bepaling, die rechtstreeks is overgenomen van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, is een rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van een advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Hieruit vloeit voort dat de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van een advocaat geen mechanisme is dat het een partij mogelijk zou maken een rechtsplegingsvergoeding te verkrijgen wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, zonder te kunnen worden veroordeeld tot de betaling ervan indien zij in het ongelijk wordt gesteld.

Een uitbreiding van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van een advocaat tot de tussenkomende partijen zou aldus niet alleen tot gevolg hebben dat die partijen kunnen worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding, maar ook dat zij in voorkomend geval een dergelijke vergoeding kunnen vorderen van de verzoekende partij.

Wanneer de wetgever alle in het geding zijnde belangen heeft afgewogen, heeft hij echter precies willen voorkomen dat de rechtspleging te duur zou worden voor de verzoekende partijen en tegenpartijen wegens de tussenkomst van een derde, hetgeen de toegang tot de rechter kan bemoeilijken en de kosten van een rechtspleging weinig voorzienbaar kan maken.

In zoverre daarbij het financiële risico van de rechtspleging voor de verzoekende partij in het algemeen wordt beperkt, draagt de keuze van de wetgever om de tussenkomende partijen uit te sluiten van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van een advocaat, zelfs voor de rechtsplegingen waarin zij afstand doen van de bestreden stedenbouwkundige vergunning na een schorsingsarrest, bijgevolg ertoe bij het recht op toegang tot de rechter te waarborgen'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtskosten, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/05/2019

Decretale planschaderegeling doorstaat toets van het Grondwettelijk Hof nogmaals

Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest nr. 57/2019 van 8 mei 2019 hiernavolgende prejudiciële vraag ontkennend beantwoord:

'Schendt artikel 35 van het decreet van het Vlaams Parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM genomen in samenhang met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel uit de artikelen 10 en 11 Grondwet, in de mate dat deze bepaling een forfaitaire berekening oplegt van de planschadevergoeding, die geen of onvoldoende rekening houdt met het reële waardeverlies van het onroerend goed ingevolge de inwerkingtreding van het plan waaruit het bouwverbod voortvloeit onder meer omdat de verwervingswaarde enkel wordt geactualiseerd aan de hand van de index der consumptieprijzen, en waarbij bovendien een aftrek van 20 procent van de planschadevergoeding wordt gehanteerd ? '

Het Grondwettelijk Hof bevestigt zijn eerdere uitspraak nr. 66/2018, van 7 juni 2018 en dus ook volgende 'relativerende' overweging:

'Het valt evenwel niet uit te sluiten dat de decretale berekeningswijze in bepaalde gevallen afbreuk doet aan de rechten van de betrokken eigenaars. Dat kan met name het geval zijn wanneer de overheid reeds een vergunning heeft uitgereikt en aldus een gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat het betrokken perceel mocht worden bebouwd of verkaveld. Dat kan eveneens het geval zijn indien de nieuwe bestemming van de percelen geen enkele ontwikkeling ervan meer toelaat en hen zo goed als onverkoopbaar maakt, of nog indien de eigenaars voor de betrokken percelen successierechten hebben betaald die niet in de planschadevergoeding worden verrekend'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Planschade
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
08/05/2019

Over de hoegrootheid van de rechtsplegingsvergoeding bij een slechts gedeeltelijk toegekende schadevordering in overheidsopdrachten

Het hof van beroep te Antwerpen besliste in een arrest van 24 april 2019 over de gevolgen van een verbreking ex artikel 1794 BW door de aanbestedende overheid van een overheidsopdracht. Aan de aanbesteder werd zowel een verbrekingsvergoeding (wegens verbreking van het contract) als een onderbrekingsvergoeding (wegens het aan de verbreking voorafgaandelijk uitstellen van de werken) toegekend, ook al werd er daadwerkelijk nooit een aanvang gemaakt van de werkzaamheden. Cijfermatig werd ongeveer de helft van de schadevordering toegekend.

Het hof van beroep veroordeelt beide partijen tot ieder de helft van de rechtsplegingsvergoeding en de dagvaardingskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, omdat beide partijen deels in het ongelijk werden gesteld.

Referentie: Antwerpen, 24 april 2019, nr. 2019/3600, ng. (Pub505918)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Schadevergoeding overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht