13/02/2019

Hoe de complexe bevoegdheidsverdeling in België de onderscheiden behandeling van publieke en private herstelvorderingen verantwoordt

Met arrest nr. 14/2019 van 31 januari 2019 antwoordt het Grondwettelijk Hof ontkennend op volgende prejudiciële vraag:

‘Schendt artikel 6.2.1. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, in zoverre het bepaalt of in die zin geïnterpreteerd wordt dat de private herstelvordering – in tegenstelling tot de publieke herstelvordering – niet moet worden overgeschreven op het hypotheekkantoor en al dan niet in samenhang gelezen met artikel 3 van de Hypotheekwet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?’.

De overschrijving op het hypotheekkantoor heeft tot doel om te vermijden dat een koper een kat in een zak koopt, te weten een onroerend goed waarop een herstelvordering rust. Men kan veronderstellen dat kandidaat-kopers evenzeer geïnteresseerd zijn in de publieke afbraakvordering die uitgaat van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur of de burgemeester, als in de private afbraakvordering die dan uitgaat van bijvoorbeeld een gebuur of een milieuvereniging.

Het antwoord van het Grondwettelijk Hof verrast. Waar de publieke herstelvordering het herstel van de goede ruimtelijke ordening beoogt, hetgeen een gewestelijke aangelegenheid is, is de private herstelvordering gegrond op artikel 1382 BW. Dat de private herstelvordering niet moet worden overgeschreven in het hypotheekkantoor, vloeit voort uit het feit dat het herstel in natura in de zin van artikel 1382 BW niet onder de bevoegdheid van de gewesten, maar onder die van de federale wetgever valt. Alsdan kan er geen sprake zijn van een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het betreft, aldus het Grondwettelijk Hof, immers het loutere gevolg van de autonomie die door of krachtens de Grondwet aan de respectieve overheden is toegekend.

11/11/2018

Procedure voor Raad van State heeft altijd verjaringsstuitende werking (ook bij verwerping van de vordering)

Het Grondwettelijk Hof moest in het arrest nr. 148/2018 van 8 november 2018 oordelen over hiernavolgende prejudiciële vraag:

'Is artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het enkel aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die tot een arrest van nietigverklaring leiden, een verjaringsstuitende werking verleent en dezelfde verjaringsstuitende werking niet verleent aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die niet tot een arrest van nietigverklaring leiden en/of aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die leiden tot een arrest waarbij een verlies van belang wordt vastgesteld dat tot de verwerping van het beroep leidt?'

Het Hof besliste:

'Artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 juli 2008 'tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State', schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het geen verjaringstuitende werking toekent aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die niet tot een vernietigingsarrest leiden'.

Dit is de argumentatie:

'B.9. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over het verschil in behandeling dat ontstaat doordat enkel de door de Raad van State gewezen vernietigingsarresten een verjaringsstuitende werking hebben, en niet de arresten waarbij het beroep wordt verworpen wegens het verlies van belang van de verzoeker.

B.10.1. De Ministerraad, die daarin wordt bijgetreden door de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, voert in zijn memorie aan dat rekening moet worden gehouden met de samenhang van de tekst zelf, in het bijzonder met de bewoordingen 'voor de toepassing van deze afdeling » in artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2247 van hetzelfde Wetboek, dat deel uitmaakt van die afdeling, bepaalt evenwel dat, « indien de eiser afstand doet van zijn eis, of indien zijn eis wordt afgewezen, [...] de stuiting voor niet bestaande [wordt] gehouden'.

Volgens de Ministerraad en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, zou de wetgever ten opzichte van de door de Raad van State geformuleerde opmerkingen een standpunt hebben ingenomen door te beslissen om de voor het beroep tot nietigverklaring bedoelde regeling af te stemmen op de voor de dagvaarding bedoelde regeling. Aldus zou hij, net zoals artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek voor de dagvaarding, hebben beslist dat het beroep tot nietigverklaring niet gepaard zou gaan met een verjaringsstuitende werking indien de handeling, aan het einde van de procedure voor de Raad van State, niet nietig werd verklaard.

B.10.2. De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, besluit daaruit dat, teneinde het eventueel discriminerende karakter van de in het geding zijnde bepaling te beoordelen, niet twee categorieën van rechtzoekenden bij de Raad van State met elkaar zouden moeten worden vergeleken, zoals het verwijzende rechtscollege doet, maar dat de situatie van de rechtzoekenden die zich tot de Raad van State wenden en een verwerpingsarrest verkrijgen, zou moeten worden vergeleken met die van de rechtzoekenden die zich tot de burgerlijke rechtbanken wenden en die een verwerpend vonnis of een verwerpingsarrest verkrijgen.

B.11. Het staat niet aan de partijen om de inhoud van de prejudiciële vragen te wijzigen of te laten wijzigen.

B.12.1. De redenen waarom de Raad van State een beroep tot nietigverklaring kan verwerpen zonder de grond van de zaak te hebben onderzocht, kunnen talrijk zijn. Zulks geldt met name wanneer de verzoeker, om redenen buiten zijn wil, zijn belang om in rechte te treden verliest tijdens het geding voor het hoge administratieve rechtscollege, zoals dat het geval is in de aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak. De termijn die is verstreken tussen de datum van het instellen van het beroep en de datum waarop de Raad van State zijn arrest wijst, kan bijzonder lang zijn en eveneens voortvloeien uit omstandigheden buiten de wil van de verzoeker, zoals dat het geval is in de aan de
verwijzende rechter voorgelegde zaak, zodat de termijn waarin is voorzien om een burgerlijke vordering tot schadevergoeding in te stellen, intussen is verstreken.

B.12.2. Zoals de appellant voor het verwijzende rechtscollege beklemtoont, kan de verzoeker, op het ogenblik van het instellen van zijn beroep bij de Raad van State, niet de omstandigheden voorzien die ertoe kunnen leiden dat een verwerpingsarrest zal worden gewezen, noch de termijn voorzien waarbinnen de Raad van State uitspraak zal doen. Indien de procedure voor de Raad van State meer dan vijf jaar duurt, zal de ontstentenis van een verjaringsstuitende werking die, in geval van een verwerpingsarrest, uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeit, tot gevolg hebben dat aan de rechtzoekende elke mogelijkheid wordt ontzegd om bij de burgerlijke rechter tijdig een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen de administratieve overheid.

Het enige middel waarover de verzoeker beschikt om zijn rechten te vrijwaren, is het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter, naast het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, hetgeen echter de doelstelling van proceseconomie zou tenietdoen, die precies door de wetgever wordt nagestreefd.

B.12.3. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, zou de ontstentenis van een verjaringstuitende werking met betrekking tot een door de Raad van State gewezen verwerpingsarrest niet kunnen worden verantwoord door de bekommernis om de in het geding zijnde regeling te harmoniseren met de in artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde regeling inzake de dagvaarding voor het gerecht.

Zoals in B.2 is vermeld, verwijst artikel 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit naar de regels van het gemeen recht voor de stuiting van de verjaring, namelijk die welke worden voorgeschreven in afdeling I van hoofdstuk IV, titel XX, boek III, van het Burgerlijk Wetboek, onder de artikelen 2242 tot 2250 van het Wetboek. Hoewel artikel 2244 van dat Wetboek naar de regels van die afdeling verwijst, met inbegrip van de in artikel 2247 bedoelde regel, dient te worden opgemerkt dat, wanneer de rechtzoekende een dagvaardinginstelt voor de burgerlijke rechter, laatstgenoemde zich dient uit te spreken over de zaak in het kader van één en dezelfde procedure met betrekking tot subjectieve rechten tijdens welke de rechtzoekende al zijn argumenten zal hebben kunnen doen gelden. De omstandigheid dat de stuiting van de verjaring, door de toepassing van artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek, voor niet-bestaande wordt gehouden in geval van verwerping van de rechtsvordering op inhoudelijke of vormelijke gronden, zal het onderzoek van de gegrondheid van de vordering niet hebben aangetast. In een dergelijk geval zal de rechtzoekende op geen enkele manier het slachtoffer kunnen zijn geweest van een achterstand bij het burgerlijke rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, aangezien hij precies die rechter is die uitspraak doet met een stuiting van de verjaringstermijn zolang de beslissing niet is gewezen.

B.12.4. Daarentegen kan ten aanzien van de rechtzoekende die bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring instelt, in het objectieve contentieux, dat beroep worden verworpen om een reden die niets te maken heeft met de grond van de zaak. Hij moet een nieuwe procedure, ditmaal in het subjectieve contentieux, instellen voor de burgerlijke rechtscolleges teneinde een schadevergoeding te verkrijgen, indien hij de onwettigheid van de betwiste bestuurshandeling aantoont, hetgeen een onderzoek van de grond van de zaak door de burgerlijke rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, vereist.

Een dergelijk beroep wordt hem evenwel ontzegd indien de procedure voor de Raad van State meer dan vijf jaar duurt, zodat ingevolge de toepassing van artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 100 en 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, de termijn om zijn vordering tot schadevergoeding in te stellen voor de burgerlijke rechter zal zijn verstreken.B.13. Uit het voorgaande vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij enkel aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die tot een vernietigingsarrest leiden, een verjaringsstuitende werking verleent, niet relevant is ten opzichte van de in B.7 en B.8
vermelde doelstellingen, aangezien zij de rechtzoekende die ervoor kiest om een bestuurshandeling aan te vechten voor de Raad van State nog steeds ertoe verplicht om tevens ten bewarende titel een vordering tot schadevergoeding in te stellen voor de burgerlijke rechter, teneinde de verjaring van zijn vordering te voorkomen'.

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Raad van State, Verjaring
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/07/2018

Grondwettelijk Hof schorst nieuwe regeling in 'Codextrein' aangaande het mengen van delfstoffen met abraakmaterialen in ontginningsgebied!

De verzoekende partijen voor het Grondwettelijk Hof vorderden de schorsing en de vernietiging van de artikelen 68 en 69 van het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving. Ingevolge deze artikelen is het thans in ontginningsgebieden mogelijk om, naast de ontginning van primaire grondstoffen, de ontgonnen grondstoffen mechanisch te bewerken en te verrijken door menging met afbraakstoffen.

Het Grondwettelijk Hof willigt - hetgeen uitzonderlijk is - de schorsingsvordering in met arrest nr. 107/2018 van 19 juni 2018:

'B.10.1. Het in het middel uiteengezette verschil in behandeling berust op een objectief criterium, te weten de vaststelling of men al dan niet in de buurt van een bestemmingsgebied « ontginningsgebied » of « gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen » woont. Enkel de burgers in de buurt van die gebieden hebben niet de mogelijkheid gehad hun recht op inspraak uit te oefenen, terwijl de mogelijkheid tot inspraak wel bestaat voor burgers die in de buurt van een ander bestemmingsgebied wonen en terwijl die mogelijkheid tot inspraak hun een waarborg biedt voor de vrijwaring van het recht op bescherming van een gezond leefmilieu (artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet).

B.10.2. De decreetgever wenste met de bestreden artikelen 68 en 69 van het decreet van 8 december 2017 de duurzame ontwikkeling en de duurzame materialenkringloop te bevorderen in ontginningsgebieden en gebieden voor de winning van oppervlaktedelfstoffen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1149/3, p. 24). Die redengeving kan eveneens worden toegepast op andere bestemmingsgebieden aangezien ook in die andere bestemmingsgebieden de duurzame ontwikkeling en het creëren van een duurzame materialenkringloop het toestaan van bijkomende exploitatiemogelijkheden zou kunnen verantwoorden.

B.10.3. Door ofwel in een ontginningsgebied ofwel in een gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen het mechanisch bewerken van ontgonnen delfstoffen en het verrijken van ontgonnen delfstoffen toe te laten, houdt dit niet alleen een constante aanwezigheid van machines, materialen en materieel in (Parl. St., Vlaams Parlement, ibid., p. 24), maar ook een constante aan- en afvoer van afvalstoffen, hetgeen een aanzienlijke weerslag op het milieu zal hebben, zelfs indien de verrijking van de delfstof een nevenactiviteit moet blijven.

Het bestemmingsgebied « ontginningsgebied » of « gebied voor de winning van oppervlaktedelfstoffen » heeft slechts een tijdelijk karakter, aangezien na de stopzetting van de ontginningen de oorspronkelijke of toekomstige bestemming, die door de grondkleur op het plan is aangegeven, moet worden geëerbiedigd. Voorwaarden voor de sanering van de plaats moeten worden opgelegd opdat de aangegeven bestemming kan worden gerealiseerd (artikel 17.6.3, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen).

Bovendien kan de uitbreiding van exploitatiemogelijkheden van bestemmingsgebieden ook worden bereikt via de aanname van een ruimtelijk uitvoeringsplan, waar inspraakmogelijkheden wel aanwezig zijn, zoals nader bepaald in hoofdstuk II (« Ruimtelijke uitvoeringsplannen ») in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

B.11. In het beperkte kader van het onderzoek waartoe het Hof vermag over te gaan bij de behandeling van de vordering tot schorsing, dient het middel dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet als ernstig te worden beschouwd in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Bijgevolg dienen de overige middelen in dit stadium niet te worden onderzocht.

B.12. Daar is voldaan aan de twee in artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof voorgeschreven grondvoorwaarden om tot de schorsing te kunnen besluiten, dient deze te worden bevoleni.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/07/2018

Alternatieve financiering van schoolinfrastuctuur voor het Gemeenschapsonderwijs doorstaat toets van het Grondwettelijk Hof

Bij het Grondwettelijk Hof was door GO!, de koepel van het Vlaamse gemeenschapsonderwijs,  een rechtstreeks beroep aangetekend tegen de artikelen 5 tot 12 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 november 2016 betreffende de alternatieve financiering van schoolinfrastructuur via projectspecifieke DBFM-overeenkomsten.  Het betreft het een vervolg op 'Scholen van Morgen', een DBFM-programma van publiek-private samenwerking geregeld in het decreet van 7 juli 2006 betreffende de inhaalbeweging voor schoolinfrastructuur. Terwijl het DBFM-programma 'Scholen van Morgen' een globaal programma betreft, waarbij één uitvoerder werd aangewezen door de overheid die verantwoordelijk is voor de realisatie van 182 scholenbouwprojecten, beoogt het bestreden decreet een kader te creëren voor het opzetten van kleinere, vereenvoudigde en meer projectspecifieke DBFM-operaties (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 893/1, p. 3), waarbij ondersteuning wordt verleend door het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGION).

Die alternatieve vorm van financiering van schoolinfrastructuur via DBFM-overeenkomsten houdt in dat een private vennootschap instaat voor het ontwerp (Design), de bouw (Build), financiering (Finance) en het dertigjarig eigenaarsonderhoud (Maintain) van de schoolinfrastructuur. De projectvennootschap stelt de schoolinfrastructuur ter beschikking voor een periode van dertig jaar. Gedurende die periode betaalt de betrokken inrichtende macht aan de projectvennootschap een beschikbaarheidsvergoeding. Na de periode van dertig jaar wordt de schoolinfrastructuur kosteloos overgedragen aan de betrokken inrichtende macht.

GO! voerde in een enig middel aan dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met artikel 24, § 2, van de Grondwet, dat bepaalt :

'Zo een gemeenschap als inrichtende macht bevoegdheden wil opdragen aan een of meer autonome organen, kan dit slechts bij decreet, aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen.'

In het arrest nr. 105/2018 van 19 juli 2018 ziet het Grondwettelijk Hof het anders:

'B.13.1. Uit het bovenstaande blijkt dat de decreetgever geen bevoegdheden van de Gemeenschap, als inrichtende macht, opdraagt aan één of meer autonome organen en evenmin afbreuk doet aan de bevoegdheden van de inrichtende macht van het Gemeenschapsonderwijs (GO!) inzake schoolinfrastructuur, zodat de bestreden bepalingen niet dienden te worden aangenomen met de in artikel 24, § 2, van de Grondwet vereiste bijzondere meerderheid.

B.13.2. Vermits zij de financiering van de schoolinfrastructuur regelen voor de verschillende onderwijsnetten, behoren de bestreden bepalingen tot de algemene normatieve bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs.

Het enkele feit dat de bestreden bepalingen ook moeten worden nageleefd door de autonome organen van het Gemeenschapsonderwijs (GO!) brengt de geregelde aangelegenheid niet binnen het toepassingsgebied van artikel 24, § 2, van de Grondwet. Die organen moeten immers, zoals elke inrichtende macht, handelen binnen het algemeen normatief kader inzake de financiering van de schoolinfrastructuur dat de decreetgever bij gewone meerderheid kan aannemen.

B.14. Het enige middel is niet gegrond'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht, Onderwijsrecht, PPS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags