07/01/2013

Vlaamse regering stelt 'Winkelen in Vlaanderen 2.0' voor

Het volledige persbericht - waarin de toekomstige Vlaamse Handelsvestigingenreglementering nader wordt toegelicht - gaat als volgt:

'13 mio € voor kernversterking, renovatie, en aankoop handelspanden
Afgelopen vrijdag 21 december 2012, keurde de Vlaamse regering, op initiatief van minister-president Kris Peeters en minister Philippe Muyters, “Winkelen in Vlaanderen 2.0” goed. Dit is het vervolg op de startnota “Winkelen in Vlaanderen” uit 2010, waarmee de Vlaamse regering inzet op een kernversterkend detailhandelsbeleid.
De startnota “Winkelen in Vlaanderen” leidde tot heel wat concrete initiatieven en verwezenlijkingen. Afgelopen vrijdag dan werd, op initiatief van minister-president Peeters en minister Muyters, “Winkelen in Vlaanderen 2.0” goedgekeurd, een coherent pakket van nieuwe beleidsmaatregelen.
- Via dit pakket wordt voorzien in ondersteuning voor lokale besturen en nieuwe instrumenten inzake het ruimtelijke beleid. De Vlaamse regering reserveert 13 miljoen euro aan kernversterkende maatregelen, renovatie van handelspanden, en aankoop van handelspanden, wat zal leiden tot een investeringsplan van 43 miljoen euro.
- Bovendien wordt ook reeds ingegaan op het beleid met betrekking tot de handelsvestigingen, na de regionalisering van de zogenaamde IKEA-wetgeving.

Een geïntegreerd handelsvestingsbeleid
Regionalisering van de IKEA-wet – socio-economische vergunning

Afgelopen vrijdag werd beslist hoe de voorbereiding van de regionalisering van de IKEA-wet concreet zal gebeuren. Er wordt gekozen om continuïteit te geven aan de werking en doelstellingen van deze wetgeving, maar vanuit een maximale integratie in het ruimtelijk instrumentarium. Het voorliggende voorstel werd getoetst aan de Europese Dienstenrichtlijn.

De socio-economische vergunning zal na de regionalisering blijven bestaan, en de rechtsgrond voor deze regeling zal worden opgenomen in het decreet inzake het Grond- en Pandenbeleid. Er zal maximaal worden aangesloten bij de beproefde terminologie van de wet op de handelsvestigingen.
Wanneer ook een bouwvergunning vereist is, zal die daarin worden geïntegreerd. Uiteraard is dat ook het geval bij de invoering van de omgevingsvergunning. Om de socio-economische aspecten te bewaken wordt de aanvraag van een dergelijke bouwvergunning voor advies voorgelegd aan het agentschap Ondernemen, zonder dat dit impact zal hebben op de termijnen voor de bouwvergunning.

Wanneer er enkel een wijziging gebeurt aan het assortiment, waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is of wanneer deze vergunning valt onder de vrijstelling of meldingsplicht, blijft de socio-economische vergunning apart bestaan.
Er wordt daarmee maximaal aangesloten bij de huidige procedure, maar met een grondige vereenvoudiging. In beide gevallen blijft de mogelijkheid van beroep behouden.

Actievere benutting bestaande instrumenten
Behalve het beleid van de socio-economische vergunningen kiest de Vlaamse Regering ervoor om de bestaande instrumenten actiever te benutten zodat de kleinhandelsvisie – al dan niet uitgewerkt in een commercieel strategisch plan – kan vertaald worden naar haar plannings- en vergunningenbeleid. Dat kan bijvoorbeeld al via ruimtelijke structuurplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Daarnaast zullen nog bijkomende mogelijkheden worden aangereikt, zoals de mogelijkheid om kernwinkelgebieden en winkelarme gebieden aan te duiden via een stedenbouwkundige verordening, door de opsomming van straten of door de aanhechting van een perimeterplan. De Vlaamse Codex zal bovendien worden aangepast waardoor gemeenten en provincies via stedebouwkundige verordening beperkingen qua afmetingen van gebouwen of van bepaalde functies kunnen opleggen in bepaalde zones, gekoppeld aan de versterking van de leefbaarheid en aantrekkingskracht van kern en kernwinkelgebieden. Dit laat bijvoorbeeld toe dat kleinhandel kan worden beperkt of uitgesloten in een bepaald gebied.

Investeringsplan voor de handel

De Vlaamse regering kan de grote lijnen schetsen, maar een kernverstekend beleid is in de eerste plaats het beleid van de lokale besturen. De Vlaamse regering wenst de lokale besturen daarin maximaal te ondersteunen. Op initiatief van minister-president Kris Peeters worden hiervoor diverse vormen van steun aangeboden zoals:
- Een leidraad bij de opmaak van een strategisch commercieel plan, wat een praktische gids is voor lokale besturen om tot een bewust een doordacht detailhandelsbeleid te komen.
- Via het kennisnetwerk detailhandel: samen met de provincies en met nauwe betrokkenheid van de werkgevers en gemeenten wordt onderzoek verricht dat lokale besturen concreet kan helpen bij de uitbouw van hun beleid. Zo worden o.m. data aangeboden over de evolutie van de detailhandel in de gemeente, over de koopstromen, … en worden per gemeente infofiches opgesteld met suggesties voor een optimaal beleid.
- initiatieven waarop de gemeenten kunnen intekenen, zoals bv. het project Commerciële Inspiratie dat een vervolg biedt op het proefproject Commerciële Innovatie. Momenteel loopt een aanbesteding voor dit vervolgtraject, waarbij in Vlaanderen 600 handelaars zullen begeleid worden in gemeenten die hiervoor interesse hebben.
De Vlaamse regering wil de lokale besturen verder aanmoedigen en financieel ondersteunen om werk te blijven maken hun sterke actor- en regisseursrol inzake een kernversterkend detailhandelsbeleid.

Daarom organiseert minister-president Peeters op 15 maart 2012 een nieuwe VIA-ronde tafel ‘Winkelen’ waarop de nieuwe lokale bestuurders worden uitgenodigd. Tijdens deze vergadering zal minister-president Peeters hen verzoeken om in de geïntegreerde beleidsplannen voor de nieuwe gemeentelegislatuur voldoende aandacht te schenken aan een doordacht handelsbeleid. Daarnaast zal minister-president Peeters een programma ‘handelskernversterking’ uitrollen, met de bedoeling om daarmee een hefboomeffect te creëren. Dit programma zal bestaan uit 3 oproepen:
1) Kernversterkende maatregelen: bewegwijzering, opstart centrummanagement, opwaarderen winkelstraat, opmaak detailhandelsvisie, verfraaiing van het openbaar domein, … kunnen noodzakelijk zijn om de handelskern attractief te houden en verloedering tegen te gaan. De Vlaamse regering wil de steden en gemeenten ondersteunen bij het opnemen van dergelijke laagdrempelige projecten. Zeer belangrijk bij deze oproep is dat de motivering voor de projecten moet gebaseerd zijn op de detailhandelsvisie van de gemeente (tenzij dit het project zelf is). De subsidie bedraagt 30% van de projectkosten met een maximum subsidiebedrag van 70.000 euro. Voor dit luik wordt 4 miljoen euro Vlaamse co-financiering beschikbaar gesteld.
2) Renovatie handelspanden: de EFRO-projectoproep ‘gevelrenovatie en renovatie leegstaande handelspanden’ heeft goede resultaten met zich gebracht. Daarom werd besloten een
gelijkaardig hoofdstuk op te nemen voor panden die niet per definitie moeten leegstaan. Gemeenten kunnen dus een gemeentelijk reglement opstellen voor een renovatiepremie voor handelszaken in de kernwinkelgebieden, en kunnen hierbij rekenen op een co-financiering van de Vlaamse overheid. Hiervoor wordt 4,5 miljoen euro beschikbaar gemaakt. De steun is beperkt tot 10.000 euro per dossier.

3) Aankoop handelspanden: Gemeenten kunnen financiële steun ontvangen voor de aankoop van panden in kernwinkelgebieden (die achteraf gebruikt worden als handelspanden), de verbouwing van panden en voor de makelaarskosten. Door deze financiële stimulans wil de Vlaamse regering de steden en gemeenten stimuleren de drempelvrees te overwinnen en te zoeken naar manieren om vastgoed strategisch in te zetten voor het behalen van de doelstellingen rond kernversterking. Door zelf de vastgoedmarkt te betreden kan het lokale bestuur panden samenvoegen, bepaalde panden in te plannen voor startende handelaars en bepaalde locaties nieuw leven inblazen, … . Er wordt maximaal 500.000 euro voorzien voor centrumsteden en 400.000 euro voor de andere. Deze oproep loopt totdat het budget van 4,5 miljoen euro is uitgeput. Om de kostprijs van handelspanden door dergelijke bestaande of nieuwe initiatieven niet onnodig te laten stijgen, zal in het grond- en pandendecreet een voorkooprecht worden ingeschreven ten gunste van de gemeenten voor handelspanden binnen een aangeduid kernwinkelgebied
Met deze drie oproepen stelt Vlaanderen 13 miljoen euro cofinanciering ter beschikking, wat zal leiden tot een investeringsplan van minstens 43 miljoen euro.
Daarnaast zal kernversterking in het nieuwe EFRO programma expliciet aandacht krijgen, zodat ook in toekomst nog nieuwe projecten die kernversterking tot doel hebben, vanuit EFRO kunnen worden ondersteund

Algemene persinformatie:
Luc De Seranno, woordvoerder minister-president Peeters
Tel.: 02 552 60 12
luc.deseranno@vlaanderen.be
Thomas Pollet, woordvoerder van minister Muyters
Tel.: 0474 69 56 08
thomas.pollet@vlaanderen.be

Bijlage: enkele initiatieven die werden gerealiseerd sinds de winkelnota:
- De omzendbrief over de inplanting van grootschalige detailhandelszaken werd opgesteld, en de verwinkeling van bedrijventerreinen werd onmogelijk gemaakt door de aanpassing van het functiewijzigingsbesluit.
- Na een oproep werden 42 projecten van steden en gemeenten goedgekeurd. Met een budget van 8 miljoen euro werden meer dan 800 gevels van handelszaken en leegstaande panden gerenoveerd.
- Er worden na een oproep 9 proefprojecten ondersteund waarbij nieuwe concepten in bepaalde gemeenten worden uitgewerkt, zoals het project “sfeergebieden” in het centrum van Gent waar extra kansen worden gecreëerd voor speciaalzaken en unieke winkels, het project ‘Winkelweb’ in West-Vlaanderen waar het ondernemingscentrum in samenwerking met een aantal steden de ondernemers bewustmaken, informeren en begeleiden omtrent het belang van e-toepassingen en sociale media, … Hiervoor werd 2 miljoen euro uitgetrokken.
- Het afgelopen jaar doorliepen 125 individuele zelfstandigen in 8 gemeenten een individueel innovatietraject om de handelszaak te verbeteren.
- Er werd een leidraad opgesteld voor de lokale overheden, met betrekking tot de opmaak van een commercieel strategisch plan. Dit geeft de gemeenten niet enkel een strategie om te starten met een commercieel strategisch plan, maar geeft hen ook de mogelijkheid te benchmarken door een betere vergelijkbaarheid van de plannen.
- In samenwerking met de provincies en de VVSG en met betrokkenheid van de werkgeversfederaties, werd in september het Kennisnetwerk Detailhandel opgestart. Binnen dit kennisnetwerk kan de nodige knowhow opgebouwd worden voor het detailhandelsbeleid in de toekomst en kunnen de basisdata gezamenlijk aangekocht worden. Vandaag ontbreken immers vaak essentiële data om de impact van het beleid te kunnen opvolgen en evalueren. Ook tendensen in het winkellandschap zullen tijdig worden geïdentificeerd. De vergaarde informatie zal worden ter beschikking gesteld via een portaalsite.
- Aan de VVSG werd een werkingsbudget toegezegd om overlegtafels te organiseren over de kernversterking. De bedoeling hiervan is dat lokale besturen van elkaars goede voorbeelden leren zodat men niet overal telkens hetzelfde dient uit te vinden.
- De regeling dat de rente van een lening wordt vergoed indien een handelszaak moet sluiten door hinder bij openbare werken, werd uitgebreid tot lopende leningen waardoor de maatregel succesvoller werd en de kredieten hiervoor werden opgetrokken tot 3 miljoen'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen
Tags Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/07/2019

Gemeentelijke milieustakingsvordering als alternatief voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen?

In een vonnis van 8 juli 2019 heeft de Kortrijkse milieustakingsrechter aan een landbouwer verbod opgelegd om een derde pluimveestal te bouwen onder verbeurte van een dwangsom van 10.000€ per dag dat gebouwd wordt en dat de pluimveestal er blijft staan.

De omgevingsvergunning die de landbouwer had bekomen voor de pluimveestal wordt op vraag van de gemeente als onwettig buiten toepassing gelaten door de milieustakingsrechter:

De rechtbank is van oordeel dat gezien de grote schaal van het project, ook al is er op zich geen planologische strijdigheid met de bestemmingsvoorschriften, de inplanting ervan zo is voorzien dat die totaal in wanverhouding staat met een afgewogen concept van goede ruimtelijke ordening en aldus onverenigbaar is met de goede plaatselijke aanleg. (...) De door de bestreden beslissing gegeven motieven die quasi uitsluitend gebaseerd zijn op het landschappelijk integratieplan en daarin opgenomen aanplanting van ‘nieuw aan te planten losse heg’ verantwoorden niet in redelijkheid de te verwachten grote potentiële hinder voor de aangelanden’.

Verder is de milieustakingsrechter de mening toegedaan dat de impact van het project in de omgeving dat uit open landschap bestaat, op een ‘kennelijk onredelijke wijze’ is beoordeeld.

Aldus is de gemeentelijke milieustakingsvordering een ernstig alternatief voor de vernietigingsprocedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, in het bijzonder omwille van de snelheid van de milieustakingsprocedure, die een procedure zoals in kortgeding is, en omwille van het feit dat de ontvankelijkheidsdrempel van een procedure tot schorsing (eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid) voor gemeenten of colleges van burgemeester en schepenen hoger ligt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen dan bij de milieustakingsrechter.

Referentie: Vz.Rb. Kortrijk 8 juli 2019, nr. 2019/4311, ng. (pub507646-2)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Milieustaking
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/07/2019

Belangwekkend arrest van de Raad van State inzake voedselveiligheid

Artikel 15 §1 van het KB van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen, bepaalt dat het FAVV de erkenning of toelating, afgeleverd door de uitoefening van een activiteit in of vanuit een inrichting, kan intrekken bij welbepaalde inbreuken op de FAVV-regeling. De operator beschikt dan over een termijn van 15 dagen om per aangetekende brief zijn bezwaren aan het Agentschap mee te delen en, in voorkomend geval, te verzoeken om door deze gehoord te worden en/of verbeteringen voor te stellen teneinde tegemoet te komen aan de ingeroepen motieven. Het FAVV onderzoekt dan de bezwaren en voorgestelde verbeteringen en voert een nieuwe controle uit. Indien het Agentschap van oordeel is dat de inrichting nog steeds niet voldoet, trekt zij de erkenning of toestemming in, hetgeen kan betekenen dat de inrichting gewoonweg wordt gesloten. De operator kan da beroep aantekenen bij de Beroepscommissie binnen het Agentschap, die dan advies verstrekt aan de minister die binnen de 15 dagen een eindbeslissing moet nemen over het beroep.

In het geval voorgelegd aan de Raad van State in het arrest nr. 245.214 van 19 juni 2019 werd de erkenning van een halalsupermarkt ingetrokken door het FAVV wegens inbreuken op de etiketteringsreglementering, werd in beroep door de operator een verbeterprogramma voorgesteld dat de Beroepscommissie kon overtuigen en nam de minister op adviues van deze Commissie dan de gebruikelijke beslissing waarbij de intrekking werd geschorst, met dien verstande dat bij een eerstvolgende controle ‘enige’ nieuwe inbreuk wordt vastgesteld, de intrekking van de erkenning of de toelating alsnog definitief, met enkel een beroep bij de Raad van State als optie. Bij de hercontrole werden enkele nieuwe inbreuken vastgesteld en werd de erkenning alsnog ingetrokken.  Tegen deze 'sluitingsbelissing' werd opgekomen door de operator bij de Raad van State.

De Raad van State beslecht in het arrest bij uiterst dringende noodzakelijkheid 2 belangrijke vraagstukken:

Eén. De Raad van State oordeelt dat wel degelijk enkel tegen de ‘sluitingsbeslissing’ van het FAVV, na ministeriële beslissing, kan opgekomen worden:

De verwerende partij “stelt zich vragen bij het belang van verzoekende partij […] waar dit beroep immers geen einde kan stellen aan de beslissing van Minister Ducarme dd. 9.05.2019”.

Zij wijst erop dat tegen deze beslissing door de verzoekende partij geen rechtsmiddel werd aangewend, zodat deze beslissing definitief is geworden.

Zij stelt verder dat zij zolang die beslissing bestaat “terzake geen enkele beoordelingsvrijheid (heeft) en … zij in geval van vaststelling van enige inbreuk eenvoudigweg de intrekking van de toelating (dient) vast te stellen” en concludeert dat de verzoekende partij “aldus geen belang (heeft) terzake”.

Ter terechtzitting stelt de verzoekende partij dienaangaande dat de beslissing van 9 mei 2019 een voorbereidende beslissing is.

Beoordeling

Het is zonder meer duidelijk dat de voorliggende bestreden beslissing die de quasi onmiddellijke sluiting van de inrichting van de verzoekende partij tot gevolg heeft, de belangen van die partij ongunstig raakt.

Onder punt 3.8. hierboven wordt de inhoud van de beslissing [van de minister van 9 mei 2019 weergegeven.

Daaruit blijkt dat wanneer enig resultaat van de in het vooruitzicht gestelde inspecties ongunstig is of voor één van de zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket “gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum  …” niet conform is, de intrekking van de toelating als detailhandel en vleeswinkel, “definitief” wordt. Het geheel van die beslissing hoefde de verzoekende partij er niet toe te brengen deze beslissing aan te vechten, vermits zij er mocht op vertrouwen dat de verwerende partij deze beslissing op wettige, en derhalve op zorgvuldige en redelijke wijze, zou uitvoeren.

In afwachting hiervan behield zij haar erkenning en hoefde zij niet te anticiperen op een mogelijk onwettige uitvoering van die beslissing.

De exceptie wordt derhalve verworpen.’

Twee. De Raad van State beslist dat bij handhaving inzake voedselveiligheid altijd tot een evenredigheidstoets moet overgegaan worden:

‘Aangaande het verweer geput uit het definitief geworden zijn van de beslissing van 9 mei 2019 en uit het verband tussen die beslissing en deze die thans wordt bestreden, dient op de eerste plaats verwezen te worden naar hetgeen hierboven werd geoordeeld met betrekking tot het belang van de verzoekende partij bij de voorliggende vordering.

Het wordt niet betwist dat op het vlak van de etikettering in de zgn. quickscan van 17 producten, bij de controle van 12 juli 2019 een aantal onvolkomenheden werden vastgesteld.

Hierover ter terechtzitting ondervraagd bevestigt de verwerende partij de vaststelling door de verzoekende partij, die ook prima facie blijkt uit de bestreden beslissing, dat deze onvolkomenheden in wezen uitsluitend betrekking hebben op een gebrekkige vertaling, soms in het Nederlands, vaker in het Frans, van een aantal vermeldingen die in de andere taal wel op het desbetreffende etiket voorkomen.

Bovendien bevestigt de verwerende partij, ook in haar nota, dat de controle van 12 juli 2019 “inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne” als “gunstig met opmerkingen” werd beschouwd.

Bovendien wordt zelfs vastgesteld dat de “uitgebreide controle inzake etikettering, die […] moet worden uitgevoerd op drie producten” ook resulteerde in de beoordeling “gunstig met opmerkingen”.

Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat, naar de letter, één van de in de “quickscan van zeventien producten” weerhouden onvolkomenheden op het vlak van de etikettering, zelfs wanneer die enkel betrekking heeft op “de taal”, blijkens de libellering van de beslissing van 9 mei 2019, volstaat om de erkenning definitief in te trekken zowel voor de detailhandel als voor de “vleeswinkel”.

In redelijkheid kan evenwel niet worden aangenomen dat eender welke dergelijke onvolkomenheid, ongeacht de ernst of de mogelijke gevolgen ervan, blindweg, automatisch, moet aanleiding geven tot de gevolgen die de bestreden beslissing met zich meebrengt.

De beslissing van 9 mei 2019 kan in rechte dan ook niet in die zin worden begrepen dat de minste – eventueel zelfs futiele – tekortkoming, bijvoorbeeld op het vlak van vertaling van de vereiste gegevens op een etiket, automatisch tot de definitieve volledige intrekking van de toelatingen voor de detailhandel én de vleeswinkel moet aanleiding geven.

Er wordt in dit verband zelfs niet aangevoerd door de verwerende partij dat de weerhouden  onvolkomenheden slaan op de inhoud zelf van de vermelding. Toegegeven wordt dat het in casu steeds gaat om onvolledige of gebrekkige vertalingen.

Het valt dan ook nauwelijks in te zien, en minstens had de verwerende partij derhalve formeel moeten motiveren, waarom de weerhouden tekortkomingen in redelijkheid tot dergelijke zware gevolgen moesten leiden, nu de verwerende partij tegelijk ook vaststelt dat de – onverwachte – controle van 12 juli 2019 “inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne … als ‘gunstig met opmerkingen’ (werd) beschouwd”, en zelfs dat “de uitgebreide controle inzake etikettering die … moet worden uitgevoerd op drie producten, (ook) resulteerde … in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen”.

De middelen zijn in de hierboven besproken mate dan ook ernstig.’

Het arrest van de Raad van State kan een einde maken aan de ‘automatische sluitingspraktijk’ na de beslissing van de minister.

Referentie: pub507874

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/07/2019

Onteigeningen, de Raad voor Vergunningsbetwistingen en Publius

Deze week vernamen we bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat er al 5 onteigeningsdossiers werden gepleit voor de  Raad… en dat ons kantoor in alle 5 betrokken is. :) 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen is sedert 1 januari 2019 bevoegd voor de administratieve beroepen tegen definitieve onteigeningsbesluiten.  De Raad van State, die voorheen bevoegd was inzake onteigeningen, behandelt  enkel nog de cassatieberoepen tegen de uitspraken van de RvVb.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Leandra Decuyper, Onteigeningen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/07/2019

Uitzonderingen op de omgevingsvergunningsplicht zijn strikt te interpreteren (2). Over artikel 2 §3 van het Functiewijzigingenbesluit

Het hof van beroep te Antwerpen heeft zich in het arrest van 26 juni 2019 (zie ook vorig blogbericht) uitgesproken over artikel 2, §3 van het besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen, dat bepaalt:

‘Vrijgesteld van deze omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is het in een woongebouw uitoefenen van functies, complementair aan het wonen, zoals kantoorfunctie, dienstverlening en vrije beroepen, verblijfsrecreatie, detailhandel, restaurant, café en bedrijvigheid, mits aan alle van de volgende vereisten voldaan is:

1° het woongebouw is gelegen in een woongebied of in een daarmee vergelijkbaar gebied
2° de woonfunctie blijft behouden als hoofdfunctie
3° de complementaire functie bestaat uit een geringere oppervlakte dan de woonfunctie met een totale maximale vloeroppervlakte van 100 m²
4° de complementaire functie is niet strijdig met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingsverordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden’.

Het hof van beroep te Antwerpen spreekt tegen dat in het aan haar voorgelegde geval sprake was van ‘een woongebouw’:

Ook al gaat het met zekerheid over één gebouw, even zeker is, zoals uit de foto’s blijkt, nochtans dat de schuur fysiek afscheidbaar is van het woongedeelte van hetzelfde gebouw en is omgevormd tot feestzaal. De schuur is nooit voor wonen bestemd of gebruikt geweest, nu zij als opslagplaats en garage is gebruikt’.

De uitzonderingsregel kan dus niet gebruikt worden om in een schuur, aansluitend van het woongedeelte, een feestzaal in te richten.

Boeiend is ook de uitspraak van het hof in verband met de berekening van de oppervlakte van 100 m². De exploitant van de feestzaal had een landmeter uitgenodigd om oppervlakkige metingen te doen en als bij toeval bedroeg de feestzaal 99 m².

Het hof stelt zich vragen over het gedeelte van de schuur dat met een houten wand werd dichtgemaakt. Uit de foto’s kan niet met zekerheid worden afgeleid dat deze houten wand kan opengemaakt worden. In ieder geval stelt het hof dat de landmeter ten onrechte de inkomsas met een oppervlakte van 1,7 m² heeft uitgesloten van zijn berekening, ‘terwijl de inkom van de feestzaal zonder twijfel wel deel uitmaakt van de feestzaal’.

Nog frappanter is dat het hof opmerkt dat uit niets blijkt ‘dat de opmetingen van de landmeter rekening hebben gehouden met het terras’. Hieruit kan afgeleid worden dat bij de berekening van de 100 m²-drempel niet enkel rekening moet gehouden worden met de functiewijziging binnen in als met de functiewijziging in open lucht. Het terras werd immers ook door de feestzaal gebruikt.

Referentie: Antwerpen, 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (Pub506703-1)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/07/2019

Uitzonderingen op de omgevingsvergunningsplicht zijn strikt te interpreteren (1): Over artikel 7.3 van het Vrijstellingenbesluit

Het hof van beroep te Antwerpen heeft zich in een arrest van 26 juni 2019 uitgesproken over artikel 7.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van de stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is:

‘Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor een tijdelijke wijziging van de hoofdfunctie van een bestaand, hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw, als de tijdelijke functiewijziging een maximale duur van 4 periodes van 30 aaneen gesloten dagen per kalenderjaar niet overschrijdt. Op de eerste dag van de functiewijziging begint de periode van 30 dagen te lopen ongeacht of de functiewijziging de volle 30 dagen gebeurt. De periodes van 30 dagen kunnen aaneengesloten zijn, maar overlappen elkaar niet’.

Het hof van beroep besliste:

‘Uit de stukken, foto’s en aanvragen tot het bekomen van een vergunning uitgaande van mevrouw M. zelf, blijkt dat er van enige tijdelijkheid geen sprake is. De omvorming van de schuur naar feestzaal is definitief en de uitbating van de feestzaal is meer dan tijdelijk, namelijk niet slechts voor 4 maal 30 dagen per jaar. Deze uitzondering op de vergunningsplicht is aldus niet van toepassing’.

De uitspraak van het hof is meer dan interessant. Het blijkt dat artikel 7.3 van het Vrijstellingenbesluit niet kan gebruikt worden om een constructie duurzaam in te richten voor een bepaalde stedenbouwkundige functie, zelfs niet indien de uitbating minder bedraagt dan 4 maal 30 dagen per jaar.

Referentie: Antwerpen, 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (Pub506703-1).

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht