20/09/2014

Nederlandse Raad van State: retail (detailhandel) valt niet onder Dienstenrichtlijn!

In een belangwekkend arrest nr. 201310226/1/A1 van 30 juli 2014 oordeelde de Nederlandse Raad van State dat de Dienstenrichtlijn (ook Bolkesteinrichtlijn genoemd) niet van toepassing is op detailhandel.

De Raad verwierp als volgt het middel dat erin bestond dat een bestemmingsvoorschrift niet wettig kleinhandel mocht verbieden:

'3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 5.3.3 van de planvoorschriften. Volgens appellan liggen aan dit artikel economische motieven ten grondslag, hetgeen in strijd is met de richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (hierna: Dienstenrichtlijn). Dit artikel moet dan ook buiten toepassing worden gelaten.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 25 juli 2012 in zaak nr. 201105171/1/A2 en in haar uitspraak van 19 juni 2013, zaak nr. 201203334/1/A3 is de Dienstenrichtlijn, gelet op artikel 2, eerste lid, en artikel 4, aanhef en onder 1 van de Dienstenrichtlijn, slechts van toepassing als er sprake is van dienstverrichting, in welk verband voor de betekenis van het begrip "dienst" wordt verwezen naar artikel 50 van het EG-verdrag (thans: artikel 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Daarbij wijst de Afdeling er op dat de Dienstenrichtlijn blijkens randnummer 76 van haar considerans geen betrekking heeft op de toepassing van de artikelen 28 tot en met 30 van het EG-verdrag (thans: de artikelen 34 tot en met 36 van het VWEU) over het vrije verkeer van goederen. De beperkingen die als gevolg van de bepaling over het vrij verrichten van diensten verboden zijn, betreffen eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten en niet eisen ten aanzien van goederen.

De Afdeling is van oordeel dat de economische activiteiten die appellant op het perceel wenst te ontplooien en die het college op grond van artikel 5.3.3 van het bestemmingsplan niet toestaat, geen diensten vormen in de zin van artikel 4, aanhef en onder 1, van de Dienstenrichtlijn en artikel 57 van het VWEU, maar de verkoop van goederen betreffen. Dientengevolge is deze richtlijn niet van toepassing op de activiteiten die appellant wil verrichten. Het bestreden besluit en het onderhavige bestemmingsplan-voorschrift, dat (detail)handel in de vorm van een aan huis verbonden bedrijf niet toestaat, dienen om die reden niet aan de Dienstenrichtlijn te worden getoetst. Dit leidt tot de conclusie dat reeds hierom dit besluit niet met de Dienstenrichtlijn in strijd is.

Het betoog faalt'.

Ook in België (en Vlaanderen) zal dit arrest met zeer veel aandacht gelezen worden.Lees hier het belanghebbende bericht op onze blog Handelsvestigingen.