13/10/2014

Onderscheid in aanvang beroepstermijn bij milieuvergunning doorstaat toets Grondwettelijk Hof

De reden van de prejudiciële vraagstelling was de volgende: vóór de wijziging van artikel 23§3 van het Milieuvergunningsdecreet, diende een beroep tegen een beslissing van de deputatie over een vergunningsaanvraag te worden ingediend binnen een termijn van 30 dagen na de bekendmaking van de bestreden beslissing. In het licht van rechtspraak van de Raad van State (arrest nr. 197.447 van 29 oktober 2009) ving deze beroepstermijn, voor personen die kennis krijgen van de beslissing via aanplakking, aan nadat deze termijn van aanplakking was verstreken. Volgens deze rechtspraak is met name, wanneer de bekendmaking bestaat in aanplakking gedurende een bepaalde termijn, deze bekendmaking niet volledig geschied zolang deze termijn niet is verstreken.

Gelet op deze interpretatie heeft de decreetgever het in 2010 wenselijk geacht om de zaken uit te klaren en heeft deze vooropgesteld dat het beroep dient te worden ingediend binnen een termijn van 30 dagen na de eerste dag dat tot aanplakking van de bestreden beslissing is overgegaan (Decr.Vl. 23 december 2010 (BS 18 februari 2011 (ed. 2)).

De verzoekende partij bij de Raad van State, wiens beroep bij de deputatie werd afgewezen wegens laattijdig, achtte zulks strijdig met artikel 10 en 11 van de Grondwet en vroeg de Raad van State een prejudiciële vraag te stelen aan het Grondwettelijk Hof.

De Raad van State bevroeg zich dan ook bij het Grondwettelijk Hof met de vraag of voormelde grondwetsartikels werden geschonden 'doordat op grond van de in het geding zijnde bepaling, de natuurlijke personen en rechtspersonen aan wie de beslissing over de vergunningsaanvraag persoonlijk wordt aangezegd, over een volledige termijn van dertig dagen beschikken om administratief beroep aan te tekenen, terwijl ten aanzien van degenen die zijn aangewezen op de bekendmaking via aanplakking, de beroepstermijn ingaat de eerste dag nadat tot aanplakking werd overgegaan. Wanneer in dat laatste geval de belanghebbende derden niet de eerste dag na de aanplakking kennis krijgen van de vergunningsbeslissing zal de beroepstermijn waarover ze beschikken derhalve steeds korter zijn dan voor degenen die persoonlijk op de hoogte worden gesteld van die beslissing.’

Het antwoord van het Grondwettelijk Hof In een arrest  nr. 151/2014 van 9 oktober 2014 luidde als volgt:

‘[…]

B.3.1. De beroepstermijn die ingaat de dag na die van de persoonlijke kennisgeving of van de aanplakking past, zoals aangegeven in B.1.4, in het kader van de bekommernis om de voortgang van de procedure te bespoedigen en de vergunningsaanvrager zo snel mogelijk rechtszekerheid te verschaffen.

B.3.2. Het verschil in behandeling, wat de aard van de kennisgeving van de vergunningsbeslissing betreft, is redelijk verantwoord. De aanvrager van de vergunning, en de betrokken overheidsinstanties kunnen door de vergunningverlenende overheid onmiddellijk worden geïdentificeerd. Zulks geldt niet voor de belanghebbende derden die rechtstreekse hinder van de vergunde inrichting zouden kunnen ondervinden. In hun geval kan de decreetgever redelijkerwijze ervan uitgaan dat de aanplakking een geschikte vorm van bekendmaking is om hen op de hoogte te brengen van het bestaan van de vergunningsbeslissing.

B.3.3. De decreetgever vermocht, enerzijds, rekening ermee te houden dat, wanneer het gaat om grote projecten, het genoegzaam bekend is dat zij het voorwerp uitmaken van een vergunning en dat, wanneer het gaat om minder grote projecten, de weerslag ervan beperkt zal zijn tot de onmiddellijke omgeving van de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. Anderzijds, vermocht hij ervan uit te gaan dat aan het verlenen van een milieuvergunning voor een inrichting van eerste klasse een openbaar onderzoek moet voorafgaan, waaraan ruime bekendheid moet worden gegeven en waardoor belanghebbende derden van het project in kwestie op de hoogte worden gesteld en de verdere afwikkeling ervan kunnen opvolgen. Aldus mag worden aangenomen dat de belanghebbende derden zeer kort na de aanplakking kennis zullen kunnen nemen van de vergunningsbeslissing.

B.3.4. Uit het bovenstaande blijkt dat de decreetgever gestreefd heeft naar een evenwicht tussen, enerzijds, de nood aan een efficiënte procedure die de vergunningsaanvrager rechtszekerheid biedt binnen een redelijke termijn en, anderzijds, de zorg om de belanghebbende derden snel en duidelijk te informeren over de voorgenomen projecten. Aangezien de beroepstermijn dertig dagen bedraagt, wordt het recht op toegang tot de rechter voor de belanghebbende derden niet onevenredig beperkt, doordat die termijn loopt vanaf de eerste dag na de aanplakking.

B.4. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.’


Meer tags?